‘Als je je fiets nou 200 meter verderop in de fietsenstalling zet, dan wordt het niet zo’n zooitje.’
‘Maar het is toch al een zooitje?’
Tegen die logica van de bebrilde jongedame kan ik niet op. Ik draai me om en loop hoofdschuddend en zuchtend weg. Het is nog altijd een enorme wirwar van fietsen rond het station.
Sinds de sloop van de Houttuinen is de chaos rond het station alleen maar verder toegenomen. De Delftenaar is van nature lui en wil zo weinig mogelijk stappen zetten. Daarom kwakt hij zijn fiets zo dicht mogelijk bij het perron tegen een muur of een hek. De wethouder en haar ambtenaren zien wel dat het compleet uit de hand is gelopen. Ze schilderen de stoepranden geel en hangen wat bordjes aan de hekken. Maar het helpt niet. De gele verf slijt snel en moet eigenlijk elke week opnieuw worden aangebracht. De bordjes aan de hekken worden volkomen genegeerd door de spoorstudenten.
Ik ben bang dat het zonder handhaving niet zal lukken. Waar zijn de ferme jongens en stoere meiden van Toezicht Openbare Ruimte bij het station? Met hun mooie Segways kunnen ze al om 7 uur ‘s ochtends ter plaatse zijn en de fietsers vriendelijk doch streng verzoeken hun rijwiel in de daarvoor bestemde stalling te plaatsen. Ik heb zelf een hekel aan uniformen en de snorren en petten die daarbij schijnen te horen. Maar zo kan het niet langer. Er moet meer blauw rond het station.
![]()