Na een heel belachelijk lange uitrustvakantie zit ik in de trein vanaf Schiphol, op weg terug naar Delft. Ik ben pas bij Leiden, maar mijn gedachten zijn al voorbij Rijswijk. Ik verheug me op het beeld wat ik al jaren vanuit de trein zie, en wat voor mij echt thuiskomen is.
In mijn verbeelding rijdt de trein al langs de Gist, dan langs het Bacinolgebouw de stad in. Langs de molen, die vrolijk draait in de wind, het stuk stadsmuur, en de huizen aan de Spoorsingel. Even uitzicht op de drukke Phoenixstraat en bioscoop Delfia. Dan verder langs Wesseling, en het uitzicht op de achtertuinen van de huizen aan de Houttuinen en de van Leeuwenhoeksingel. De zijgevel waar altijd een mooie of leuke tekst op staat geschilderd… ik voel mezelf al helemaal thuiskomen, en in gedachten stap ik al uit en sta ik op het perron.
Inmiddels rijdt de trein uit mijn verbeelding de werkelijkheid in, en we blijken al uit de tunnel bij Rijswijk te komen. Afwachtend schuif ik dichter bij het raampje als de eerste tekenen van Gistfabriek zich aandienen. Ik kijk nog eens wat beter. De trein rijdt het viaduct op.
Bouwput. Rommel. Zooitje.
Ik was het even vergeten, en de stiekeme hoop dat ik het allemaal gedroomd had wordt de grond in geboord. Bijna alle gebouwen die mijn thuiskomuitzicht vormden, zijn er niet meer. Ze hebben plaatsgemaakt voor een verwarrende, rommelige vlakte. De trein stopt en ik stap uit. Hier en daar lijkt het station van Delft meer op het station van Bagdad of Kabul. Een beetje verdwaasd loop ik de verkeerde kant op naar de bus, het plein is nu natuurlijk aan de achterkant. Gelukkig zit er in de bus wel een bekende buschauffeur, dus ik ben wel in de goede stad. “Zo, je bent weer thuis?” wordt er vrolijk gevraagd. Lachend knik ik terug, maar zo thuis voelt het nog niet.
Ik wil terug naar het échte Delft!
