Het is derde Paasdag en het is stralend mooi weer. Tijd om erop uit te trekken en de binnenstad van Delft te onderzoeken. Misschien kan ik ergens een terrasje pakken en naar de eerste toeristen kijken. Als ik de Markt opwandel overvalt me het gevoel dat er iets aan de hand is. Mensen kijken omhoog en ik zie wat politie-agenten nerveus heen en weer lopen.
Ze zijn bezig een kwart van de Markt af te zetten met rood-wit lint en zelfs de mensen op de terrasjes worden vriendelijk doch dringend verzocht om plaats te maken. Zou er koninklijk bezoek onderweg zijn? Maar nee, dan kijkt men toch niet omhoog. Ik zie iemand van de pers foto’s maken en het begint steeds meer te gonzen van de geruchten.
Dan slaakt er iemand een verschrikte kreet en ik kijk omhoog. Daar is iemand, net boven de klok van de kerktoren over de balustrade geklommen en erop gaan zitten. Hij is toch niet van plan om te springen? Op zo’n mooie dag nog wel. Een ambulance rijdt de Markt op en twee ambulance-broeders stappen uit. De man bovenin de toren zwaait wat met z’n benen en lijkt redelijk rustig de wereld beneden zich te observeren. Dan zie ik een vrouw met een kind op haar arm. ‘Blijf je hier staan met die kleine?’ vraag ik en ineens schijnt ze zich te beseffen wat er zou kunnen gebeuren. Ze kijkt me met een schuldige blik aan, pakt haar tas van de grond en verlaat stilzwijgend de Markt. Een vrouw in een rolstoel zit met gevouwen handen. Te bidden voor deze ziel wellicht?
Dan kijk ik nogmaals omhoog en zie links van de man een aantal politie-agenten. Ze willen hem kennelijk overrompelen maar nog voordat ze bij hem kunnen komen kiest de man eieren voor z’n geld en klimt terug over de balustrade. Op dat moment wordt hij gegrepen door zo’n drie man en komen er van de rechterkant nog ‘s zo’n drie à vier man op hem af. Ze nemen hem mee en ik bedenk me dat hij straks vast wel een flinke douw zal krijgen. Dan pas besef ik me dat die gedachte in dit verband wel enigszins morbide is.
Uw aller
