“Geachte ramptoeristen, we zijn bijna bij de Zuidwal in Delft. Wilt u zo dadelijk bij het overstappen van ons schip naar de rondvaartboten letten op het afstapje? U kunt erna plaats nemen op het stoeltje waarvan het nummer correspondeert met de laatste twee cijfers van uw vaarbiljet. Geniet daarbij van een dynamische stad, waar overal werk in uitvoering is.
Vanuit die boot heeft u onder meer een fraai uitzicht op de originele Delftenaren. Ze zijn eenvoudig te herkennen aan hun hologige, verdwaasde uiterlijk en hun – weliswaar iets minder zichtbare – talent om viermaal daags willekeurig te verdwalen, daartoe in staat gesteld door hun immer actieve gemeentebestuur, dat al sinds jaar en dag een kleuter van vier als verkeerswethouder heeft. Iedere inwoner die een nog niet opgebroken straat aanmeldt, krijgt van hem een beloning. Ja, je staat bekend als Amsterdam in het klein en daar moet je dan wel wat grond voor blijven verzetten, vindt hij.
Wij hebben, en dat zult u begrijpen, de busritten naar Delft en de pittoreske wandelingen door de oude stad al jaren geleden afgeschaft. Het staat nogal slecht op je conduitestaat als een groep bustoeristen ineens verdwijnt. Goed, het is slechts eenmaal gebeurd, maar we hebben wel de nodige graafmachines moeten laten overkomen om deze mensen uit de bouwput bij de Koepoortbrug op te kunnen diepen. Om over die bus maar te zwijgen.
Een andere toerist hebben we nooit gevonden. Die viel bij een wandeling – hij was te veel gefocust op de klok van de Oude Jan – in een bouwput aan de Oude Delft. Bewoners zeggen sindsdien onbegrijpelijke geluiden uit het ondergrondse gangenstelsel te horen. Elk van hen is daarna een andere taal gaan studeren, maar tot op heden zijn ze er niet in geslaagd de ongelukkige te verstaan. Hij schijnt zich in leven te houden door zich te laven aan delftsblauwe glimwormen en stijgend grondwater.
Denk niet dat het buiten het centrum veel anders is. Bussen, trams, treinen staan al sinds het begin van deze eeuw stil op de immer opgebroken wegen en rails. De Wegenwacht opereert hier nog alleen in volcontinu ploegendiensten. Overal in deze geplaagde stad regelt het Rode Kruis de voedselbevoorrading – ah kijk, daar komt net de Henry Dunant III voorbij, onderweg naar het verdeeldepot van het Legermuseum!
Dat wordt nog oppassen voor ons, want die Delftenaren deinzen in hun zucht naar eten nergens voor terug. Ik wil u daarom met klem verzoeken uw tupperware lunchdoosjes met broodje kaas, krentenbol, appel en half litertje melk onder in uw tas te verstoppen. U speelt met uw leven als ze deze zien. En voor alles: NIET VOEDEREN! Want ook dan geeft u ongewild een nieuwe betekenis aan het woord ramptoerist. Verder wens ik u een prettige boottocht toe. Denkt u nog aan uw gids?”
